Op donderdag 26 november 2020 is een digitale expertmeeting Plas van Heenvliet georganiseerd. 

Deze expertmeeting is georganiseerd naar aanleiding van het laatste RIVM-rapport over de thermisch gereinigde grond. Centraal in de bijeenkomst stond de situatie en vragen die er leven rond de Plas van Heenvliet en de verontreinigde thermisch gereinigde grond.  De aanwezige expertorganisaties zijn het RIVM, DCMR Milieudienst Rijnmond, GGD Rotterdam-Rijnmond, Waterschap Hollandse Delta en Gemeente Brielle. 

De aanwezige experts hebben vragen beantwoorden. Vragen die niet direct beantwoord konden worden of te gedetailleerd waren, zijn geïnventariseerd en hieronder opgenomen. Dit is een dynamisch document. Mochten meer vragen worden gesteld over dit onderwerp, dan nemen we die ook op in dit document.

1. Vraag: (RIVM) Waarom heeft het RIVM zelf geen onderzoek ter plaatse gedaan

Vraag: (RIVM) Waarom heeft het RIVM zelf geen onderzoek ter plaatse gedaan (a) (letterlijk: geen aanvullende metingen) voor hun  rapport maar baseren ze hun rapport op eerdere rapporten van GGD en DCMR (letterlijk: bestaande metingen) ? Waarom zou dit dan toch als een onafhankelijk (en leidraad gevend) rapport moeten worden beschouwd? (b)


Antwoord:

  • Het RIVM heeft een beeld gevormd van de situatie met behulp van analyseresultaten van bodem-, oppervlaktewater- en grondwateronderzoek, gerapporteerd door het laboratorium. Dus zonder interpretatie en conclusie van een andere partij. Deze onderzoeken hebben we eerst beoordeeld op geschiktheid voor het gevraagde onderzoek. Op basis hiervan heeft het RIVM haar eigen conclusies opgesteld.
  • Het RIVM heeft geen eigen monstername verricht omdat er reeds informatie beschikbaar was. Deze informatie was van voldoende kwaliteit voor een beoordeling van de huidige situatie. Monstername vraagt daarnaast tijd waardoor een risicobeoordeling nog langer op zich zou laten wachten.

Nb. De geraadpleegde onderzoeksrapportages zijn benoemd in het onderzoek van RIVM en zijn  afkomstig van Tritium advies, AL West B.V. en Arnicon Bv.

2. Vraag: (RIVM) Als het RIVM zegt dat er géén gevaar voor de volksgezondheid is, ......

Vraag: (RIVM) Als het RIVM zegt dat er géén gevaar voor de volksgezondheid is, waarom stellen ze dan dat er – als het recreatiegebied wordt – vanaf het begin frequent moet worden gecontroleerd op uitloging van schadelijke stoffen uit de TGG naar bodem, grondwater en oppervlakte water van de plas?
 

Antwoord: Op basis van de nu beschikbare informatie is er geen sprake van gezondheidsrisico’s. We weten niet of stoffen in de toekomst uit kunnen logen naar oppervlaktewater. Daarom adviseert het RIVM als voorzorgsmaatregel de kwaliteit van het oppervlaktewater en het grondwater te monitoren om elk gezondheidsrisico ook in de toekomst uit te kunnen sluiten.

3. Vraag: (Gemeente Brielle / Combinatie Plas van Heenvliet) Als er geen gevaar voor de volksgezondheid is, ......

Vraag: (Gemeente Brielle / Combinatie Plas van Heenvliet) Als er geen gevaar voor de volksgezondheid is en het verder allemaal ook zo ongevaarlijk is, waarom staan er dan borden op het terrein met de tekst: In de vuile zone ramen en deuren gesloten houden. En met symbolen voor niet eten, niet drinken en verboden te roken? Zie de foto bij het artikel ‘Plas van Heenvliet blijft een hoofdpijndossier’ in het Briels Nieuwsland van 28 oktober 2020.


Antwoord: Het gaat om standaard voorgeschreven bebording als er gewerkt wordt met industriegrond. Het betreft hier de uitvoering van Nederlandse Veiligheid & Gezondheid wet- en regelgeving – specifiek de CROW-132 publicatie.

4. Vraag: (RIVM) Bij de Plas van Heenvliet is sprake van uitspoeling van ....

Vraag: (RIVM) Bij de Plas van Heenvliet is sprake van uitspoeling van verontreinigingen als gevolg van de toepassing van TGG. Uitgaande van de gemeten concentraties in TGG en in het grondwater, is er geen sprake van gezondheidsrisico’s voor mensen volgens het RIVM. Er is lokaal wel sprake van ecologische effecten op de meetlocaties waar de risicogrenswaarde overschreden wordt.

  • Wat wordt bedoeld met lokaal?
     

Antwoord: Niet op alle meetpunten was er een overschrijding van de risicogrens. Met lokaal bedoelen we dan: ter hoogte van het meetpunt waar een overschrijding van de risicogrens is aangetroffen.
Het RIVM heeft zelf geen metingen verricht.
 

  • Hoe weet men dan dat het bij lokale ecologische effecten is gebleven?

    Antwoord: 
    Er zijn meerdere monsters genomen/meetpunten over de oppervlakte waar de TGG is toegepast. Niet in alle meetpunten wordt de risicogrens overschreden. Daarom is er sprake van een lokaal effect rond de meetpunten waar de risicogrens wordt overschreden.
  • Wat wordt bedoeld met ecologische effecten; voorbeelden?

    Antwoord: Hier worden effecten op de bodemorganismen en natuurlijke bodemprocessen bedoeld. Deze kunnenvariëren van afname van biologische processen (zoals verminderde mineralisatie, bodemademhaling, nitrificatie, denitrificatie, stikstofbinding (fixatie) en de afbraak van organische stof) tot in het ergste geval sterfte van bodemorganismen (zoals bacteriën, schimmels en wormen). Zowel organismen als processen dragen bij aan een goed functionerende bodem.
     
  • Waarom worden er geen metingen elders gedaan om te bepalen of het bij lokale effecten blijft?

    Antwoord: Er is bemonsterd over het gehele gebied waar TGG is toegepast. Aanvullend zijn er voor grondwater ook twee referentiepunten buiten het TGG-gebied bemonsterd. Hier zijn geen verontreinigingen aangetroffen.
     
  • Kunnen de locaties waar de lokale effecten te vinden zijn ook exact aangegeven worden op een kaart?

    Antwoord: Ja dat is mogelijk.

5. Vraag: (RIVM) RIVM zegt: Hoewel de uitspoeling van verontreinigingen naar .....

Vraag: (RIVM) RIVM zegt: Hoewel de uitspoeling van verontreinigingen naar bodem en grondwater een ongewenste situatie is, is er nog geen sprake van ‘onaanvaardbare risico’s’ vanwege het lokale karakter van de effecten. Het wordt dan ook afgeraden om de reeds aangebrachte TGG te verwijderen. Het eventueel (deels) afgraven van de locatie geeft risico’s op verdere verspreiding van verontreinigingen.

  • Welke risico’s zouden er zijn bij afgraving?

 

Antwoord: Het gaat hierbij bijvoorbeeld om verwaaiing van de TGG naar de omgeving tijdens het overladen op vrachtwagens, verstoring van het ecosysteem door hernieuwde afgraving, vertroebeling van het water en mogelijk zuurstoftekorten in het water tijdens de afgraving en het daarna weer opvullen met grond, extra CO2 uitstoot door vrachtverkeer en machines.

  • Zijn dat niet precies de risico waar wij al ruim een jaar lang aan blootgesteld zijn bij de storting van de grond?

    Antwoord: Het RIVM heeft geen onderzoek gedaan naar de risico’s ten tijde van toepassing en kan dan ook geen oordeel geven over de risico’s die er dan wel of niet zouden zijn geweest. Dit is meer een vraag voor de combinatie i.v.m. werkvoorschriften.
     
  • Waarom zeggen GGD en DCMR dan steeds van begin af aan dat er geen risico’s zijn opgetreden voor de volksgezondheid?

    Antwoord: De GGD heeft geconcludeerd: naar verwachting levert de bij de Plas van Heenvliet aanwezige vervuilde thermisch gereinigde grond geen nadelige effecten op voor de publieke gezondheid. In het GGD-rapport wordt uitgelegd hoe de GGD tot de conclusie is gekomen. De DCMR onderstreept de conclusie van de GGD.

6. Vraag: (DCMR) Hoe kan het dat niet de DCMR die voor de gemeente Brielle de controle ter plaatse ....

Vraag: (DCMR) Hoe kan het dat niet de DCMR die voor de gemeente Brielle de controle ter plaatse verrichtte, als eerste melding maakte van de vervuiling in de TGG, maar Tritium Advies, de door de Combinatie ingehuurde controle firma?


Antwoord: Blijkbaar is het beeld ontstaan dat toezicht en handhaving door DCMR vooral feitelijk veldwerk en analyses betreft. Dat is niet zo.

DCMR heeft in overleg met de Combinatie besloten tot diverse onderzoeken en dat is door Tritium uitgevoerd. Direct na het constateren van problemen met de TGG die toegepast is in Bunschoten medio 2017is ook in opdracht van de Combinatie aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd voor de Plas van Heenvliet. Dit waren eerst monitoringen van grondwater voor de zouten. Later is gekozen voor een uitgebreider onderzoek naar andere parameters (stoffen), waarbij vastgesteld werd dat voor enkele stoffen de interventiewaardes werden overschreden. De monitoring van het grondwater is daarna uitgebreider opgezet.

7. Vraag: (DCMR) Hoe vaak werden de controles door DCMR eigenlijk verricht:.....

Vraag: (DCMR) Hoe vaak werden de controles door DCMR eigenlijk verricht: wekelijks, maandelijks, anderszins? En wie heeft of op basis waarvan is  bepaald dat die frequentie voldoende is?


Antwoord: Het beeld is ontstaan dat toezicht en handhaving door DCMR vooral feitelijk veldwerk en analyses betreft. Controles worden administratief en op locatie uitgevoerd, onaangekondigd en zonder vast schema. Er zijn controles uitgevoerd voor het inwerking hebben van de inrichting en de Bbk-meldingen (Besluit bodemkwaliteit).

Voor de verondieping van de Plas van Heenvliet is 4 juli 2006 een vergunning verleend waarbij indertijd de provinciale bevoegdheid gold. De activiteit werd gezien als een nuttig hergebruik van grond en baggerspecie. Sinds 2008 valt deze activiteit (het nuttig hergebruik van grond en baggerspecie) binnen de werkingssfeer van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk).

Voor de toezichtscontrole voor bbk worden verschillende punten gecontroleerd. Bij een melding voor toepassing zijn gegevens gevoegd. Dit zijn gegevens over waar de partij vandaan komt, hoe de partij er uit ziet (denk hierbij aan kleur, samenstelling, (percentage) bijmengingen e.d.), hoeveel grond toegepast wordt, door wie en op welke wijze. Tijdens de controle wordt op alle punten uit de BBK-melding gecontroleerd. Hoeveelheden en herkomst worden gecontroleerd met vrachtbonnen. De aangeleverde partij wordt fysiek gecontroleerd op de samenstelling en beschrijving in de partijkeuring (of ander bewijsmiddel). Op locatie wordt gekeken of er geen partijen ongemengd worden of gesplitst. Voor toezicht op partijen grond is sinds begin van dit jaar een digitale checklist beschikbaar voor de toezichthouders. Hierin staan vragen op basis van alle artikelen van het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit.

Controle op locatie van de TTG is niet uitgevoerd. Vanuit de beoordeling wordt de TTG aangeleverd met een Productcertificaat 9335-2. Dat betekent dat er geen partijkeuring als bewijsmiddel meegeleverd wordt. Het is daarom niet mogelijk om de specifieke kenmerken van de partij anders te beoordelen dan aan de gebruikelijke kenmerken van Thermisch gereinigde grond. Thermisch gereinigde grond/asfaltgranulaat bestaat uit een mengsel van zand en grind. Het heeft een typerende zwarte kleur.

8. Vraag: (DCMR) Werden de rapportages van de controles van de DCMR op de ladingen grond.....

Vraag: (DCMR) Werden de rapportages van de controles van de DCMR op de ladingen grond – ongeacht de resultaten – allemaal doorgestuurd aan de gemeente Brielle? Zo nee, waarom niet en werd er door de gemeente Brielle dan ook niet naar gevraagd? Wie beoordeelde de controle gegevens eigenlijk? Werden er alleen cijfers opgeleverd of ook rapportages met een analyse/interpretatie van de cijfers? Hoe vaak? Wat werd daar mee gedaan?


Antwoord: Van elke controles door de DCMR wordt een verslag gemaakt in het zaaksysteem van de DCMR. In het verslag kunnen cijfers zijn opgenomen en interpretatie daarvan. De DCMR heeft mandaat van de gemeente Brielle om toezicht uit te voeren en zo nodig een handhavingstraject te starten. Individuele verslagen worden niet structureel naar de participanten (waaronder ook Brielle) gestuurd.

9. Vraag: (DCMR) Omstreeks juni 2017 (RIVM-rapport pag. 41) is door DCMR goedkeuring verleend .....

Vraag: (DCMR) Omstreeks juni 2017 (RIVM-rapport pag. 41) is door DCMR goedkeuring verleend voor het storten van 200.000 ton TGG. In augustus 2017 is er tijdens veldonderzoek door Tritium Advies (waarom niet of mede door DCMR?) een partijkeuring uitgevoerd (resultaten??). Uit slechts circa 6000 m3 van de toen aangevoerde TGG. Op dat moment (N.B.: pas twee maanden na goedkeuring door DCMR) was er van de voorgenomen 200.000 ton al 84.000 ton TGG (= 42%!) aangebracht langs de oostoever van de plas (RIVM-rapport pag. 32). Vanwaar die haast? En hoe vaak is er tijdens de storting van die 84.000 ton door DCMR gecontroleerd? Verder: ‘De gehanteerde monstermethode is slechts summier beschreven, met een algemene verwijzing naar NEN-protocollen.’ Kunt u dat laatste nader duiden? DCMR moest toch de controle uitoefenen voor de gemeente Brielle? Dan zou DCMR daar toch opmerkingen over hebben moeten maken?

 

Antwoord: Gesproken wordt over storten, de juiste terminologie volgens het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) istoepassen. Binnen de systematiek van het Bbk was er een geldig productcertificaat voor TGG beschikbaar. De bedoelde keuring is uitsluitend uitgevoerd om te verifiëren of de TGG te hoge zoutlasten bevatte, dit naar aanleiding van een persbericht van Waterschap Vallei en Veluwe waarin de toepassing van TGG niet werd aanvaard vanwege hoge concentraties zout. Het was dus een extra check die als indicatief moet worden beschouwd. Dit is ook in de rapportage aangegeven. Eerder is de problematiek van de zouten al onderzocht door Sweco in het kader van de zorgplicht, zie rapport van Sweco van 15 juni 2017. Eindconclusie van dit rapport was dat de zouten verhoogd voorkwamen, maar binnen het brakke toepassingsmilieu geen risico’s opleverde.

M.b.t. de haast: Het Bbk bevat geen bepalingen t.a.v. de snelheid van toepassing. Dit is aan de toepasser.

M.b.t. controlefrequentie: de DCMR controleert risicogericht en omdat het hier ging om een geoorloofde toepassing van een homogene en gecertificeerde stof zijn er slechts enkele controles uitgevoerd.

M.b.t. de nadere duiding: er is verwezen naar de BRL1001. Het ging om een verificatie en niet om een volledige partijkeuring. De TGG is geleverd met Productcertificaat 9335-2. Dit betekent dat er geen partijkeuring als bewijsmiddel meegeleverd wordt. Het is daarom niet mogelijk om de specifieke kenmerken van de partij anders te beoordelen dan aan de visuele kenmerken van TGG.

10. Vraag: (DCMR) Hoe konden de zeer gevaarlijke chemicaliën phenol en para-cresol .....

Vraag: (DCMR) Hoe konden de zeer gevaarlijke chemicaliën phenol en para-cresol (oftewel 4- methyl phenol)  - naast benzenen en toluenen - in de TGG terechtkomen (RIVM-rapport pag. 38), waar komt de grond die deze stoffen bevat vandaan en waarom is dit niet eerder opgemerkt of bekendheid aan gegeven? Zie ook vraag 13.

 

Antwoord: Pagina 38 van het rapport verwijst naar gehalten in het grondwater. Deze stoffen zijn aangetroffen in het middeldiepe grondwater tussen 8,5 en 9,5 meter minus maaiveld (en een keer som cresolen in het ondiepe pakket tot 3,5 meter minus maaiveld. Deze stoffen zijn relevant in relatie tot de risicogrenswaarden ecologie, aldus het RIVM. Er kunnen ecologische risico’s optreden, aldus het RIVM op pagina 80. Deze risico’s worden op pagina 81 lokaal en niet dusdanig ernstig genoemd dat dat zou moeten leiden tot verwijdering van de TGG.

Hoe deze stoffen er in zijn gekomen is niet bekend, wel staat vast dat deze stoffen er niet in horen te zitten, maar dat is met de kennis van nu juist het probleem met deze TGG dat dat stoffen bleek te bevatten die je op basis van het productcertificaat niet verwacht. Deze stoffen zitten niet in het standaardstoffenpakket waarop het product certificaat is gebaseerd. We weten pas op basis van bevindingen bij de problemen met TGG bij Westdijk, Perkpolder en Plas van Heenvliet, en op basis van verkregen metingen, dat deze stoffen er in kunnen zitten).

11. Vraag: (GGD/RIVM) In haar rapport maakt de GGD onder het kopje .....

Vraag: (GGD/RIVM) In haar rapport maakt de GGD onder het kopje Nadere gezondheidskundige beoordeling (GGD-rapport pag. 2) de volgende opmerking: ‘Wellicht wordt de Plas van Heenvliet in de toekomst aangewezen en ingericht als zwemwater. Stoffen in het water van de plas kunnen dan mogelijk een risico vormen voor de publieke gezondheid/voor de bezoekers van het toekomstig recreatieterrein als zij gaan zwemmen.’ En het RIVM zegt – zich mede baserend op voor haar rapport op hetzelfde GGD-rapport - : ‘Er is geen gevaar voor de volksgezondheid.’ Kunt u deze twee, elkaar op het eerste oog tegensprekende, standpunten uitleggen?

 

Antwoord: Bij de beoordeling van het gezondheidsrisico wordt tegelijkertijd gekeken naar een aantal aspecten:

  1. de schadelijkheid (giftigheid) van de milieufactor, in dit geval: welke potentie heeft een bepaalde stof om de gezondheid te schaden?
  2. de aanwezige concentratie van die stof in het milieu en
  3. de mogelijkheid tot blootstelling: (hoe) kan een mens met die stof in contact komen en de stof binnenkrijgen?

Er kan pas een gezondheidsrisico zijn als én een stof in potentie schadelijk is voor de gezondheid, én de stof in voldoende hoge concentraties aanwezig is én als mensen aan die stof (kunnen) worden blootgesteld.

De GGD heeft met de in de vraag genoemde tekst (alleen) gewezen op het aspect van de blootstelling: door zwemmen of baden in de plas kunnen mensen in contact komen met stoffen in het water. Uit het RIVM-onderzoek is gebleken dat het oppervlaktewater nog niet is beïnvloed door het grondwater, de onderzochte stoffen in de TGG zijn nog niet in het oppervlaktewater aangetroffen. Verderop in het GGD-advies onder het kopje Beoordeling van stoffen met een verhoogde uitloging staat als conclusie van de GGD dat er wat betreft stoffen uit de TGG geen nadelige effecten voor de gezondheid zijn te verwachten bij zwemmen of spelen in het water.

Het RIVM heeft een uitgebreider onderzoek gedaan. De rapportage van het RIVM baseert haar conclusie op de huidige kwaliteit van het grondwater/oppervlaktewater. Er wordt nog geen uitspraak gedaan over de toekomstige kwaliteit. Daarvoor adviseert het RIVM om de situatie te monitoren zodat ook dan gezondheidsrisico’s kunnen worden uitgesloten. Het advies van het RIVM en de GGD zijn dus niet strijdig. Volledigheidshalve wordt nogmaals vermeld, dat het RIVM haar bevindingen heeft gebaseerd op een eigen interpretatie van de analysecertificaten.

12. Vraag: (GGD) De GGD adviseert in haar rapport (GGD rapport pag. 3) om geen ....

Vraag: (GGD) De GGD adviseert in haar rapport (GGD rapport pag. 3) om geen kunststof drinkwaterleidingen in de verontreinigde grond aan te leggen wegens mogelijke doordringing van dit soort leidingen door perfluorstoffen (PFAS enz.), die in de TGG zijn aangetroffen. Hier lijkt dus wel degelijk een probleem in verband met volksgezondheid aanwezig te zijn. Anders zou zo’n advies niet nodig zijn. Kunt u dat uitleggen?


Antwoord: Van een aantal vluchtige stoffen en perfluorstoffen is bekend dat deze schadelijk zijn voor de gezondheid .én dat deze door de wand van kunststof drinkwaterleidingen kunnen dringen. Dit GGD-advies is gegeven uit voorzorg om blootstelling van mensen aan (dat is het binnenkrijgen van) vluchtige stoffen of perfluorstoffen via de route van het drinkwater te voorkomen.

13. Vraag: (GGD) Het RIVM-rapport is gebaseerd  op gegevens uit het GGD-rapport

Vraag: (GGD) Het RIVM-rapport is gebaseerd  op gegevens uit het GGD-rapport. In het RIVM-rapport wordt melding gemaakt (RIVM rapport pag. 38) van de aanwezigheid van de zeer gevaarlijke chemicaliën phenol en para-cresol (oftewel 4-methyl phenol). Waarom is van deze stoffen geen expliciete melding gemaakt in het GGD-rapport?

 

Antwoord: Wat betreft welke stoffen in welke mate aanwezig zijn, is het RIVM-rapport niet gebaseerd op gegevens uit het GGD-rapport. Zie ook het antwoord op vraag 1 met uitleg over het RIVM-onderzoek.

De GGD heeft voor haar beoordeling en advisering een selectie gemaakt van de stoffen die vermeld zijn in het rapport vanhet verkennend bodemonderzoek van Tritium Advies van april 2018. Volgens dat rapport zijn fenolen en cresolen bij het onderzoek toen niet aangetroffen boven de detectielimiet. Deze stoffen / stofgroepen zijn daarom niet meegenomen in de GGD-beoordeling.

Het RIVM heeft een uitgebreider onderzoek gedaan waarbij ook concentraties in grondwater zijn beoordeeld van een drietal meetrondes in 2019. In deze meetrondes zijn para-cresol en phenol aangetroffen.

14. Vraag:  (Combinatie en/of gemeente Brielle) Werd elke aangeleverde lading .....

Vraag: (Combinatie en/of gemeente Brielle) Werd elke aangeleverde lading te storten grond gecontroleerd? Had elke lading een certificaat waaruit bleek dat de te storten grond de juiste klasse had en aan alle voorwaarden om ter plekke te storten voldeed? Als daar certificaten van zijn, zijn deze bewaard en aantoonbaar? Kregen DCMR en/of de gemeente Brielle originelen dan wel kopieën van deze certificaten?


Antwoord: Niet elke aangeleverde en toegepaste lading is gecontroleerd. Elke lading TGG is geleverd met een Productcertificaat 9335-2. Dat betekent dat er geen partijkeuring als bewijsmiddel meegeleverd wordt. Thermisch gereinigde grond/asfaltgranulaat bestaat uit een mengsel van zand en grind. Het heeft een typerende zwarte kleur. Alle certificaten en overige bewijsmiddelen zijn gearchiveerd bij de DCMR.

15. Vraag: (Gemeente Brielle) Er is en wordt nog steeds gevist in .....

Vraag: (Gemeente Brielle) Er is en wordt nog steeds gevist in de Plas van Heenvliet. Volgens het RIVM-rapport bevat de bodem van de plas PCB’s welke zich daardoor kunnen voordoen in vis uit de plas. Dus bij consumptie daarvan in de voedselketen kunnen komen. Ongeacht of  de vissers de vis alleen voor de hengelsport vangen en daarna weer terugzetten: zou het niet de maatschappelijke verantwoording van de gemeente Brielle of WSHD moeten zijn om borden bij de plas te plaatsen dat vissen is toegestaan, maar consumptie van gevangen vis vanwege de aanwezigheid van schadelijke stoffen in de plas ten zeerste ontraden wordt?

 

Antwoord: Het RIVM concludeert dat bij de concentraties PCB’s in de waterbodem er mogelijk sprake is van gezondheidsrisico’s als gevolg van visconsumptie. Het is onduidelijk hoe reëel dit risico isOm te bepalen of het risico reëel is kan de concentratie van PCB’s in ter plaatse gevangen vis worden bepaald. Daarnaast moet er sprake zijn van visconsumptie. We zien nu geen aanleiding om dergelijke borden te plaatsen. Om een betere inschatting te kunnen maken van het risico volgen we de aanbeveling van het RIVM op (bepalen van PCB’s in gevangen vis). Uitkomst bespreken we met gemeente om samen te bepalen of er aanvullende maatregelen (zoals waarschuwingsborden) nodig zijn.

Overigens zijn de PCB’s in bodem van de Plas van Heenvliet niet afkomstig uit de toegepaste TGG. Het betreft een probleem dat vaker speelt in Nederlandse waterbodems.

16. Vraag: (WSHD) Op donderdag 12 november 2020 zijn er door het bedrijf Aquon ....

Vraag: (WSHD) Op donderdag 12 november 2020 zijn er door het bedrijf Aquon in opdracht van het Waterschap in de Plas van Heenvliet metingen verricht i.v.m. de waterkwaliteit. Wat zijn de uitkomsten daarvan? Waar zijn die te vinden? Op welke website?


Antwoord: De uitkomsten van deze metingen zijn nog niet bekend. Nagegaan wordt of de meetgegevens beschikbaar gesteld kunnen worden via de website van de gemeente. Het voordeel hiervan is dat de informatie voor de omwonenden op één plek te vinden is. Jaarrapporten van Sweco zijn wat ons betreft publiceerbaar. De monitoring van het waterschapworden in rapportvorm beschikbaar gesteld.

17. Vraag: (WSHD) Op eerdere vragen die we als Dorpsraad hebben gesteld ....

Vraag: (WSHD) Op eerdere vragen die we als Dorpsraad hebben gesteld is aangegeven door de Gemeente dat er “met enige regelmaat” het oppervlaktewater en het grondwater gemonitord worden door de combinatie Plas van Heenvliet ism het waterschap Hollandse Delta.

Hoe vaak gebeurt dit daadwerkelijk? Door wie en hoe worden de meetgegevens geïnterpreteerd? 


 

Antwoord: 8 keer per jaar worden er door een adviesbureau in samenwerking met gemeente Rotterdam metingen gedaan naar het oppervlaktewater. Deze gegevens worden gedeeld met het waterschap en besproken met de combinatie Plas van Heenvliet. 1 keer per maand wordt daarnaast op een vast meetpunt van het waterschap een aantal stoffen gemeten en sinds kort wordt aanvullend daarop eens per kwartaal een uitgebreidere meting verricht, waarbij er op drie verschillende dieptes in de plas wordt gemeten (de eerste daarvan vond op 12 november plaats).

  • Waar zijn de resultaten van die metingen te vinden; op welke website?

    Antwoord: Deze gegevens worden normaalgesproken niet op een website gepubliceerd. We kunnen samen kijken naar een goede manier om de gegevens beschikbaar te stellen.
     
  • Wie trekt er wanneer aan de bel als er mogelijk toch risico’s zijn te verwachten?

    Antwoord: Als er op basis van de monitoring risico’s te verwachten zijn, wordt dit besproken in het overleg tussen het waterschap en de combinatie. Zorgen over fosfaatgehaltes hebben bijvoorbeeld in het verleden geleid tot aanvullende eisen voor het fosfaatgehalte in toe te passen bagger en grond.
     
  • Kunt op een kaart aangeven waar die metingen plaatsvinden?

    Antwoord: Dat is mogelijk. We kunnen samen kijken naar een goede manier om de gegevens beschikbaar te stellen.
     
  • Wie bepaalt frequentie en locatie van de metingen?

    Antwoord: Voor wat betreft het oppervlaktewater heeft het waterschap de frequentie en locatie bepaald.
     
  • Als er verontreiniging in het grondwater zit moet er dan niet op meer plekken en vaker gemeten worden om te zien waar het grondwater met de verontreiniging zich heen verplaatst?

    Antwoord: Als daartoe aanleiding is, doen we dat in samenspraak met gemeente en DCMR. Overigens wordt er eens per 3 jaar grondwatermonitoring gedaan vanuit het meetprogramma beschreven onder a, waarbij het grondwater uit een aantal peilbuizen rond de plas wordt bemonsterd.

18: Vraag: (Combinatie/gemeente Brielle) Mocht het gebied toch ooit recreatiegebied ....

Vraag: (Combinatie/gemeente Brielle) Mocht het gebied toch ooit recreatiegebied moeten worden, dan moet de TGG afgedekt worden met tenminste 0,50 m. schone grond. Waar komt deze grond vandaan, wordt deze grond op plaats van herkomst gecontroleerd en nogmaals voor storting ter afdekking van de TGG? Wie gaat deze grond opbrengen?


Antwoord: De toe te passen grond ligt al in depot en is reeds akkoord bevonden door de DCMR. De grond wordt verwerkt door de onderneming waarmee de gemeente Brielle een overeenkomst heeft voor het inrichten van de plas tot recreatieve plas.

19. Vraag: (Combinatie/gemeente Brielle) De voorziene overdracht op 1 juli 2020 heeft niet plaatsgevonden. ....

Vraag: (Combinatie/gemeente Brielle) De voorziene overdracht op 1 juli 2020 heeft niet plaatsgevonden. Wanneer gaan de resterende werkzaamheden beginnen, waar bestaan die uit, hoe vaak en door wie worden die gecontroleerd en op welke datum is dan de overdracht?


Antwoord: Voor de werkzaamheden om uiteindelijk te komen tot een plas geschikt voor recreatieve doeleinden wordt op dit moment een contract opgesteld. Het bestaande contract is afgelopen per 30 juni 2020. Het nieuwe contract met (nieuwe) voorwaarden, welke in overeenstemming zijn met bestaande wet- en regelgeving, wordt eerdaags gesloten. De verwerking van grond zal nog ongeveer 2 – 3 jaar zijn.

20. Vraag: (Gemeente Brielle) Waarom blijft de gemeente maar vasthouden aan een recreatiegebied ....

Vraag: (Gemeente Brielle) Waarom blijft de gemeente maar vasthouden aan een recreatiegebied met een strandje, zwemmogelijkheden enz. enz. Leg er gewoon een fiets- c.q. wandelpad en/of. jogging track en/of mountain bike track omheen. Brand je gemeentelijke vingers niet aan ‘waterexperimenten’ die grote kans hebben vroeg of laat te mislukken vanwege uitloging uit de TGG. In een gebied wat notabene al jaren bij iedereen sowieso een slechte naam heeft. Met strand/zee, Brielse Meer, Oostvoornse Meer, Haringvliet en Bernisse  lijken er genoeg mogelijkheden voor waterrecreatie in de directe omgeving te zijn. Dus waarom dan toch maar hiervoor de Plas van Heenvliet blijven ‘doordouwen’? Knap dan liever het Bolletje weer op tot officieel strand in plaats van te blijven doorgaan met een hoofdpijnlocatie!


Antwoord: Het realiseren van een recreatieve plas van Heenvliet achten wij van groot belang voor de toeristisch- recreatieve functie die deze plas kan krijgen voor Zwartewaal en en geheel Voorne-Putten.

21. Vraag: (Allen) We maken ons vooral zorgen over de aanwezigheid in het water van arseen, ....

Vraag: (Allen) We maken ons vooral zorgen over de aanwezigheid in het water van arseen, pcb’s, fenolen en cresolen. Die laatste zullen mogelijk afkomstig zijn uit oude telefoonpalen, bielzen en bv gecreosoteerde schuren en planken. Is het niet verstandig om daar een historisch onderzoek naar te doen ( dus verder terug in de tijd naar analyserapporten en stortgegevens kijken om te proberen het te verklaren en te beoordelen wat er in de toekomstmogelijk verder zou kunnen worden verwacht? Of een regulier en openbaar monster- en meetprogramma van het water op de kwaliteit ervan op de parameters die nu ook worden gehanteerd? En een waarschuwingssysteem als er overschrijdingen plaats vinden die verontrustend zijn en dat elk jaar aan het begin van het seizoen te doen om te beoordelen of er gezwommen en gevist kan worden als het dan toch perse een recreatiegebied moet worden?

 

Antwoord: Wettelijk gezien volgens het Bbk artikel 42; moeten de toepassers van grond of baggerspecie gegevens bewaren gedurende ten minste vijf jaren. Dit betekent dat de stukken voor 2015 niet beschikbaar hoeven te zijn. Terwijl de toepassingen al sinds 2006 zijn gestart.

Voor oplevering van de plas en het besluit om deze aan te wijzen als recreatie- en zwemwaterlocatie, moet op basis van onderzoek en de monitoring die nu plaats vindt duidelijk zijn dat de plas hiervoor geschikt is. Daarin zullen ook de genoemde stoffen meegenomen worden. Als de plas een officiële zwemwaterlocatie wordt, zullen er regelmatig metingen plaatsvinden (bijvoorbeeld naar blauwalgen en bacteriën). Aan deze metingen is een waarschuwingssysteem verbonden.

Voor de toekomst wordt het grond- en oppervlaktewater blijvend gemonitord. Ook zal na de inrichting van de plas als recreatieve plas de aangebrachte leeflaag blijvend worden gemonitord.