Schatten van de stad

week 12 - 2016

Afgelopen zaterdag opende in Dordrecht de tentoonstelling Uit Liefde voor de Stad. Een tentoonstelling van voorwerpen en schilderijen uit de stadsmusea van Deventer, Leiden en Dordrecht.  De tentoonstelling laat zien welke bijzondere voorwerpen de vele tientallen stedelijke musea in Nederland vanaf het midden van de 19e eeuw tot nu toe allemaal verworven of verzameld hebben. Niet altijd van topkwaliteit of van wereldvermaarde kunstenaars, maar wel vaak van behoorlijke kwaliteit en altijd nauw verbonden met de stad waar het museum gevestigd is. Het verhaal achter deze schilderijen of bewaarde voorwerpen is meestal even boeiend als het object zelf.

Ik was bij de opening, samen met wethouder Dick Verbeek en onze museumdirecteur Marijke Holtrop. Wij waren daar op speciale uitnodiging want Brielle behoort tot een select rijtje van steden met een eigen historisch stadsmuseum dat nauw met elkaar samenwerkt. De tentoonstelling is samengesteld door de Utrechtse hoogleraar kunstgeschiedenis Peter Hecht. In zijn inleiding brak hij een lans om deze musea toch vooral te koesteren en in stand te houden. Anders dan de rijke en internationaal beroemde musea van Rotterdam (Boymans van Beuningen), Amsterdam (Stedelijk Museum) en Den Haag (Gemeentemuseum)  gaat het bij het gemiddelde stadsmuseum om een museum in één van onze provinciesteden of middelgrote gemeenten. Deventer, Leiden en Dordrecht zijn daar voorbeelden van, maar ook Gouda, Groningen, Utrecht, Breda, Hoorn, Alkmaar en Kampen.

En dus ook Brielle! Want ook ons gemeentelijke museum De Tachtigjarige Oorlog  maakt deel uit van het collectief dat aan de basis staat van de tentoonstelling in Dordrecht. Met steun van de Vereniging Rembrandt is die tot stand is gekomen. Voorwaar iets om trots op te zijn. Want als verreweg de kleinste van deze gemeenten doen we toch maar gewoon mee.

Diverse stadsmusea hebben moeilijke jaren achter de rug. De economische crisis, die ook gemeenten niet ongemoeid liet, maakte de geldstromen kleiner. Sponsoring door grote banken of financiële instellingen is meestal niet voor dit soort musea weggelegd. En ook de bezoekersaantallen zijn maar een fractie van wat de internationaal beroemde Nederlandse musea trekken. Grote tentoonstellingen organiseren of bijzondere evenementen opzetten kan geen permanente taak zijn voor dit soort musea die het van een kleine staf moeten hebben. Het budget moet met moeite bijeen geschraapt worden. En als ook de gemeentelijke subsidie weg zou vallen, zou dat dus onherroepelijk het einde betekenen.

Vandaar dat professor Hecht een pleidooi hield om vooral de langere termijn voorop te zetten. “Tentoonstellingen en evenementen, dat is allemaal heel aardig. Maar musea gaan over continuïteit, niet over het verhogen van de omzet in de horeca. En wat de stad of de staat van zijn musea moet willen, is niet het grootste aantal bezoekers en de grootste herrie in de media, maar een gewetensvol beheer en een intelligente presentatie van hetgeen er door de eeuwen heen is verzameld. Het museum van de stad levert een bijdrage aan het zelfbewustzijn van haar bewoners en zorgt dat zij zich als burgers van die stad beschouwen en van haar houden. Dat zij zich er thuis voelen en er deel van willen zijn”.

Gelukkig lukt het ons in Brielle om aan het museum voldoende geld en aandacht aan te geven om de continuïteit te kunnen garanderen. Een stad en museum met zoveel schatten, schept immers verplichtingen. En als het gemeentebestuur dit ooit zou vergeten, staan onze burgers als eerste op de stoep. Dat is een mooie geruststelling!